« Terug

Sampleset Grote kerk Tholen, Van Dam, 1832

tholen1.jpg02 jun

Sampleset Grote kerk Tholen, Van Dam, 1832

In deze blog willen we graag een bijzonder sampleset bespreken. 

Het orgel in de Grote Kerk te Tholen is oorspronkelijk afkomstig uit de Galileërkerk te Leeuwarden. Deze kerk werd in 1940 afgebroken vanwege plannen voor een nieuw kerkgebouw op dezelfde plaats. Na de oorlog besloot men echter een modern kerkgebouw te bouwen in een der buitenwijken. Hierin zou het oude orgel niet meer passen. Aanvankelijk werd het orgel geschonken aan de Hervormde Gemeente te Doesburg, maar deze stond het in 1955 af ten behoeve van de gerestaureerde Kerk van Tholen. Hier wordt het orgel geplaatst als vervanging van een in 1900 door J. Hilboesen gemaakte orgel. Tijdens de kerkrestauratie in de jaren vijftig, waarbij het transept weer bij de kerkruimte wordt betrokken, verkoopt de Hervormde Gemeente van Tholen haar uit 1900 stammende tweeklaviersorgel van de hand van de Amsterdamse Ypma-leerling Johannes Hilboesen aan de Oud-Katholieke Laurentiuskerk te Rotterdam-Blijdorp. (Nu staat dit instrument in sterk gewijzigde vorm in de Christelijk Gereformeerde kerk van Groningen-Centrum.)

In Tholen koopt men in 1951 door bemiddeling van de Rijksdienst voor Monumentenzorg een historisch drieklaviers orgel van de Hervormde Gemeente te Doesburg, die dit instrument na de verwoesting van haar Van Gelder-orgel (1829) op haar beurt weer geschonken heeft gekregen van de Hervormde Gemeente te Leeuwarden. Het orgel werd hier niet opgebouwd omdat restauratie van de door oorlog verwoeste kerk te lang op zich liet wachten. Later is hier het bekende Walcker orgel geplaatst.

Bij de herbouw van het orgel in 1955 door de firma J.C. Sanders vervallen de vier oude spaanbalgen, worden de Viool de Gambe en Vioola omgewerkt tot Prestant 4' en Quint 1 1/2', wordt de Aeoline vervangen door een Regaal en het Rugwerk uitgebreid met een Scherp 3-4 sterk. Ook wordt bij de tongwerken een groot deel van de tongen en de belering vervangen. Dit alles gebeurde na de mode van die tijd, het aanpassen naar Neo barokke stijl.

In 1992/93 ondergaat het orgel onder advies van Jan Jongepier een grondige restauratie door orgelmaker S.F. Blank uit Herwijnen. Bij deze gelegenheid wordt het orgel weer voorzien van een tweetal spaanbalgen, verhuist de Dulciaan weer naar het Bovenwerk, worden de strijkers van dit manuaal in ere hersteld en wordt het Rugwerk voorzien van een Sifflet en Trompet in Van-Dam-factuur, in plaats van Scherp en Dulciaan. Tevens word de bovenwerk-tremblant gangbaar gemaakt, een nieuwe inliggende tremblant wordt op het rugwerk geplaatst. De koppelingen blijven gehandhaafd in de toestand 1854/1896.

In 2004 wordt een opliggende tremblant voor het totale orgel toegevoegd door Orgelmaker Henk van Eeken.

Algemeen
De complexe bouwgeschiedenis laat zien dat het Tholense orgel niet zonder meer tot stand is gekomen. De gebroeders Van Dam hebben zich duidelijk neer moeten leggen bij een aantal beslissingen die op zijn zachtst gezegd niet hun voorkeur hadden. De keuze voor een drieklaviers opzet is hier duidelijk uit nood geboren, in feite is het instrument een tweeklaviersconcept waarvan het tweede manuaal over twee werken is verdeeld. Volgens een schrijven van 7 mei 1854 van de hand L. Proes, die blijkens zijn commentaar op voorstellen van de toenmalige organist tot wijzigingen een gezonde kennis van zaken had, mag men stellen 'dat men een volledig hoofdmanuaal verkregen heeft; ook het pedaal is zeer voldoende. Het rugwerk nogtans kan, ofschoon er een tongwerk op ontbreekt, niet als 'zeer onvolledig' worden aangemerkt. Maar het bovenwerk is hoogst onbeduidend en gebrekkig.' 'De eindelijke uitkomst is geweest, dat het orgel in de Galileërkerk, geacht moet worden, als een goed georganiseerd geheel beschouwd, te zijn mislukt.' Proes is voorstander van een geheel nieuw, groter Bovenwerk, waarvan 'het geluid, wel van genoegzame sterkte, maar aangenaam en liefelijk uit de hoogte en verte komt.' Het bestaande Bovenwerk acht hij 'hoogstbekrompen, onbeduidend en beneden de waardigheid van een stadskerkorgel'. J.H. Kluiver is in 1976 in feite nog dezelfde mening toegedaan. Bij de laatste restauratie was het uitgangspunt het orgel technisch in orde maken en de historisch gegroeide toestand te handhaven, met uitzondering van de wijzigingen in 1955 en met toevoeging van een Sifflet en Trompet op het Rugwerk. Daarmee vormt het orgel in Tholen één van de weinige drieklaviers-orgels in het oeuvre van Van-Dam en het laatste orgel van de tweede generatie met een Rugwerk. Het Rugwerkfront, met zijn gedeelde middenveld enigszins verwant aan het beroemde Silbermann-orgel te Freiberg, vormt daarbij de basis voor een door de derde generatie, maar ook door Bakker en Timmenga veelvuldig toegepast fronttype.

Het orgel van Tholen is ondanks of misschien wel dankzij zijn complexe ontstaansgeschiedenis een imponerend instrument. Het Hoofdwerk kenmerkt zich door zijn lage tertsmixtuur en dito Cornet als een voornaam begeleidingsklavier. Het kleine Rugwerk-plenum voegt daar via de manuaalkoppel een grote hoeveelheid brilliance aan toe; vooral Sifflet en Carillon, het laatste register met een 4/5'- koor (!), blijven tot in het tutti waarneembaar. Door de trekkoppel uit 1854 - gekoppeld spel vindt hier dus evenals in bijvoorbeeld de Utrechtse Dom plaats vanaf het Rugwerk - bestaat tevens de mogelijkheid de gemeentezang te begeleiden met een al dan niet in octaven verdubbelde uitkomende stem met Carillon en/of Trompet op het Rugwerk, gekoppeld aan de grondstemmen of zelfs het plenum van het Hoofdwerk. Merkwaardig blijft daarbij het feit dat het pedaal slechts via het rugwerk aan het Hoofdwerk kan worden gekoppeld; in de oorspronkelijke opzet was zelfs - naar Noord-Duitse traditie - in het geheel geen pedaalkoppel aanwezig. Het Pedaal is ongekoppeld dan ook voldoende in balans in de totaalklank; de beide tongwerken leveren een breed fundament; de Pedaal-Trompet is, al dan met aan die van het Rugwerk gekoppeld, uitstekend geschikt voor cantus-firmusspel. De eveneens eerst in 1896 aangebrachte koppeling naar het Bovenwerk vraagt om een spaarzaam gebruik en is zeker niet bedoeld voor gebruik in het tutti. Beter toepasbaar is ze in diverse combinaties met de zachte geluiden; met name de fraaie, in eer herstelde strijkers en de prachtige, enigszins snuivende Fluit dolce. De Viola 4' geeft daarbij de mogelijkheid tot diverse kleur-registraties op 8'-en 4'-basis. Bijkomend voordeel van de trekkoppeling is daarbij dat bijvoorbeeld Brahms' 'O Welt, ich mufe dich lassen' geheel volgens de Duits-romantische terrassendynamiek kan worden gespeeld: forte ma dolce met alle klavieren gekoppeld vanaf het 1e manuaal met de 'zoete', niet zeer krachtige rugwerkprestant, al dan met gecombineerd met Fluit d'amour 4'; piano vanaf het 2e manuaal met de wijd dragende Holpijp van het aan het Bovenwerk gekoppelde Hoofdwerk en pianissimo op alleen het Bovenwerk met de beide 8'- labialen en eventueel de Vioola 4'. De merkwaardige Bovenwerk-Dulciaan, met mahonie koppen en metalen stevels, benodigt qua egaliteit nog wel enige correctie. Wel is hoorbaar dat het register enigszins neigt naar het weke karakter van een doorslaand tongwerk.

Dispositie

Hoofdwerk: 
Bourdon 16
Prestant 8
Holpijp 8
Octaaf 4
Quint 3
Octaaf 2
Mixtuur 4-6 st.
Cornet 3 st.
Trompet 8

Rugwerk:
Prestant 8
Holpijp 8
Octaaf 4
Fluit d'Amour 4
Nasard 3
Octaaf 2
Siflet 1
Carillon II D
Trompet 8
Tremulant

Bovenwerk:
Fluit dolce 8
Viola di Gamba 8
Viola 4
Speelfluit 2
Dulciaan 8
Tremulant

Pedaal:
Subbas 16
Prestant 8
Gedekt 8
Octaaf 4
Bazuin 16
Trompet 8

Koppeling: 
Hoofdwerk - Bovenwerk 
Rugwerk - Hoofdwerk 
Pedaal - Rugwerk

 

Tremulant:  
Rugwerk 
Bovenwerk 
Totaal orgel

 

             

Wilt u meer informatie over deze sampleset of wilt u deze een keer beluisteren, neem dan gerust contact met ons op. 

« Terug

Scroll naar boven